Buscar este blog

jueves, 2 de julio de 2009

doodkist te huur

DOODKIST TE HUUR


Triest grijze wolken hangen laag over de kale wijde heuvels. Op de begraafplaats hangen grote regendruppels aan de kruisen, heiligenbeelden en boomtakken. Ze verglijden langzaam zodat er nieuwe voor in de plaats kunnen komen.
De dorpsgek gehuld in een bruingrauwe poncho met op zijn hoofd een oude grijsblauwe vilten hoed zit gebogen op een grafzerk. Hij mompelt wat voor zich heen. Dan pakt hij een stokje van de grond, houdt het dichtbij zijn ogen, bekijkt het intensief en krabt met een vuile nagel aan de bast. Hij spuugt erop en grijnst breed. Dan vervaagt de grijns van zijn gezicht tot leegte. Het stokje valt op de grond. Zacht wiegt hij heen en weer en begint weer in zichzelf te mompelen.
Vlak bij hem, uit een groot en diep gat, komt met regelmaat een schep met brokken aarde naar boven.

Maria trekt het grote hek open. Haar buik is dik opgezwollen onder haar vormloze grauw bruine jurk. Moeizaam door de modder glibberend zoekt ze een weg door de grafzerken en natte struiken. Ze gaat naast de dorpsgek zitten. Uit haar jurk vist ze een stuk brood en geeft hem dat. Hij grist het uit haar hand en begint er als een aap aan te knauwen. Diep in zijn keel gromt en pruttelt het.
Maria is als het landschap waarin ze leeft. Een grote lege vlakte met een een weg die ze volgen moet. Soms gebeurt er iets. Dan stopt ze even, zoals bij het maken van het kind. Zonder liefde, passie of gevoel van geluk. Een man met wie ze op de grond gaat liggen en die haar de rok omhoog schuift. Die bij haar binnenkomt en dan weer vertrekt.
Nog hijgend zegt Maria tegen de schep en de brokken aarde:
`Hola, hoe gaat het ?`
Het scheppen gaat gestaag door. Uit het gat klinkt een onverstaanbare grauw.
Maria trekt zich daar niets van aan en praat door, voor zichzelf, de gek en tegen de vallende brokken aarde:
`Het zal nu niet lang meer duren denk ik,...Het kind wil eruit. Heb je geld voor de dokter ?`
De ontkennende grauw veegt de rust van Maria’s gezicht. Ze kijkt naar de kuil.
`Als ik niet naar de dokter kan sterft deze ook !...`
Uit de diepte klinkt de stem:
`Dat is misschien beter...`
Naast Maria knauwt de gek grommend aan zijn brood.
De regen houdt op. Grote wilde wolken jagen over de begraafplaats.
Ze heeft haar adem terug en nieuwsgierig vraagt ze:
`Voor wie is dat graf ?`
Uit het gat komt het vuile en bezwete hoofd van Chrisanto. Het blijft net boven de aarden wal steken.
`Voor Rodriguez. Ze waarschuwden me gisteravond. Het zal niet lang meer duren`
Het gezicht van Maria begint te stralen. Opgelucht brabbelt ze:
`Dat is goed nieuws. Misschien kan Señor Rodriguez me een voorschot geven.
Ze staat op en rent, glibberend door de modder de begraafplaats uit. Chrisanto roept haar achterna.
`Het zal je nooit lukken !`
In zichzelf mopperend verdwijnt hij weer in zijn gat
`Wat krijgen we nou? Vooruit betalen? Ongehoord!...`

Maria holt het dorpsplein op, langs de mooie oude kerk waar alleen nog maar de voorgevel van staat. Ze rent over het grote vierkante grasveld gevuld met modderplassen naar het enige stenen gebouw. De tweede verdieping is omringd door met een balkon.
Ze bonst op de deur. Niemand reageert. Ze bonst nog een keer. Van binnenuit klinken stappen. Een deur gaat open. Van boven klinkt een vrouwestem.
`wie is daar?`
Maria doet een stap naar achteren. Een oudere vrouw met een schort voor hangt over de balustrade.
`Zou ik Señor Rodriguez kunnen spreken ?`
`Dat is onmogelijk, hij is erg ziek`
Nerveus doet Maria een stapje naar voren om dichterbij de vrouw te zijn en om de noodzaak van het bezoek te laten voelen. Met het hoofd helemaal in haar nek roept ze:
`Daarom juist,... Mijn kind is gezond!... Ik voel het bewegen,...Ik bedoel,... zou Señor Rodriguez vooruit kunnen betalen?... Voor de dokter begrijpt U .
De vrouw kijkt vanuit de hoogte op Maria neer. Ze antwoordt niet., ze kijkt naar Maria die beneden wacht op een positief antwoord.
U weet toch,...al mijn kinderen zijn dood geboren, er was nooit geld voor een dokter... misschien, als Señor Rodriguez nu wil betalen,...hij is gezond, ik voel hem bewegen...
De vrouw blijft zwijgend kijken. Het is alsof ze iets niet begrijpt en niet goed weet wat ze met de woorden van Maria aan moet. Dan kortaf:
`Ik zal het vragen `
De deur klapt boven dicht, haar voetstappen verdwijnen in het gebouw.
Maria loopt naar een grote steen die naast de deur ligt, veegt hem schoon en gaat zitten wachten.
Haar kinderen zijn druppels die komen, verschuiven, om plaats te maken voor anderen. Nu is dit kind er, waarschijnlijk voor even. Een brokje tijd met zijn angst en pijn en voor Maria de drijfveer tot aktie.
De dorpsgek is op het plein gekomen. Hij scharrelt wat rond. Af en toe pakt hij een stokje van de grond, krabt eraan en laat het dan uit zijn handen vallen.
Hij staat tijdloos voor zich uit te staren. Ineens herkent hij Maria en loopt naar haar toe. Hij gaat naast haar staan. Hij is blij en begint een opgewonden gesprek. De klanken komen pruttelent, soms hoog en dan weer grommend, onverstaanbaar uit zijn keel. Maria is ook opgewekt en zij heeft háár gesprek.
...als hij dat nu geeft, dan kan ik vanmiddag nog op pad. Weet je nog de vorige keer? met vroedvrouw Veronica ? Die kon me ook niet helpen. Van binnen zat het, zei ze. ..”
De dorpsgek raapt een stokje op, krabt eraan, spuugt erop. Hij lacht breed en biedt het Maria aan. Hij is een en al concentratie. Maria kijkt hem aan maar is nog in haar eigen wereld.
...als hij nu betaalt, kun je je dat voorstellen, een kleintje in huis ...?
Ze lacht breed naar de gek die voor haar staat met de arm uitgestrekt met het stokje, het hoofd schuin in concentratie.

De wolken trekken grijze vlekken over de kale heuvels. Achter een lage lemen muur zweeft zachtgolvend de priester. Alleen zijn schouders en hoofd steken boven de muur uit. De lemen muur eindigt. De priester zit op een paard. Op zijn schoot draagt hij een klein zwart koffertje.
Hij rijdt het dorpsplein op en passeert de kerk. Achter de open deur grazen schapen in de ruïne. Maria zit op haar steen te wachten. De dorpsgek zoekt naar stokjes. De hoefslag vult de leegte van het plein. De grijns verdwijnt op het gezicht van de idioot. Hij komt dichter bij Maria staan. Hij is bang. Als de priester te dichtbij komt vlucht hij weg.
De priester stijgt af. Het gekraak van het leer en het gehijg van het paard over-stemmen de hoge angstkreetjes van de gek.
Maria probeert op te staan.
Pater,..goedendag...”
De priester loopt Maria voorbij. Hij klopt op de deur, zet zijn koffertje op de grond en maakt het open. Hij haalt er een stola uit en doet die om zijn hals. Terwijl hij bezig is vraagt hij Maria
en,..wat doe jij hier,...?`
Maria is nog steeds blij, nog steeds opgewonden met het vooruitzicht van een kleintje in huis.
`Mijn kind gaat geboren worden...Ik wil Señor Rodriguez vragen of hij vooruit wil betalen.... voor de kist, begrijpt U?. Dan kan ik naar de dokter.`
Half tegen de Pater, half tegen zichzelf
`Misschien mag ik dit keer het kind houden...`
`Dat God je mag horen,...na vier engeltjes voor de hemel zal Hij, in zijn oneindige goedheid, misschien één aan jou geven.`
Hij kijkt naar Maria
`Heb je dan niets gespaard?`
`Maar Pater, U weet toch wel, ik verdien alleen met de opbrengst van de verhuur van de kist. In dit dorp sterven alleen de kleine kinderen en de ouderen trekken weg. En niemand wil mij het volledige bedrag betalen als het voor een kind is`.
Half tegen zichzelf
`zo alleen in zo’n grote kist”
en weer tegen de Pater
`de meeste mensen willen ook niet dat ik de kist met een plankje van binnen kleiner maak, net midden in de kist zoals ik doe wanneer er een van mij sterft.`
De pater staat voorovergebogen, zoekend in zijn koffertje. Hij is een onwrikbare zwarte massa naast het levende gezicht van Maria. De dorpsgek gromt nijdig op een afstand.

De deur naast Maria gaat open. De vrouw verschijnt. Ze is duidelijk opgelucht als ze de Pater ziet.
`Oh Padre, ik ben zó blij dat U er bent. Komt U alstublieft binnen.
En tegen Maria
`Señor Rodriguez zegt - nee - . Dat had U toch wel kunnen weten`.
De pater wil naar binnen stappen maar Maria houdt hem tegen.
`Pater, pater, alstublieft,..help me. Ik MOET naar de dokter, begrijpt U het niet,... Ik MOET naar de dokter !.`
De Pater glimlacht en probeert zich van Maria los te schudden.
`M’n kind toch,... ja hoor, ik zal m`n best doen, ik zal het proberen.
De deur kreunt dicht.

De slaapkamer is verlicht door kaarsen, de gordijnen zijn gesloten.
Señor Rodriguez ligt in een ouderwets hemelbed. Een pot met kruiden staat walmend naast hem. In een hoek zijn de voeten van een heiligenbeeld versierd met gekleurd papier. De priester heeft zijn bijbel al open. Rodriguez opent langzaam zijn ogen.
Zalvend fluistert de Priester
`dat God bij U mag zijn”
Zwak antwoordt Señor Rodriguez
`dank U Pater”.
`Señor Rodriguez, buiten staat Maria. Zij is in nood. Zij heeft geld nodig voor de dokter. U kunt haar helpen...`
De stem van Rodriguez klinkt verbaasd
`helpen ?`
`U gaat straks haar kist huren. U zou haar vooruit kunnen betalen..`
Rodriguez kijkt de Prieter met onbegrip aan
`Maar ik heb toch nog niets ontvangen ?... Die kist, dat is toch voor als ik dood ben. Die is toch niet voor nu ?.. Ze krijgt haar geld toch,.. daar kan ze op rekenen.. Je gaat toch niet betalen voor iets wat er nog niet is ?.
De Priester probeert uit te leggen
`Als u uw offerande aan mij geeft, dan helpt U God, onze Vader. Maar het is ook voor later, voor uw eeuwig leven. Maria heeft uw hulp nú nodig mijn zoon. Als ze wacht zal haar kind dood geboren worden. Zoals al haar andere kinderen. U weet, zonder hulp van een echte dokter kan Maria geen kinderen krijgen. Ze heeft onze lieve Heer al vier engeltjes geschonken.
Het is alsof Rodriguez een nieuw woord moet leren dat vreemd op zijn tong ligt.
`..helpen,.. ? ik wil best ... helpen...” en tegen de vrouw:
`geef haar de helft zodat ze met de bus mee kan en de rest zoals het hoort`
Hij sluit zijn ogen. De pater begint te bidden. De ademhaling van Señor Rodriguez rochelt en stuttert. Op zijn gezicht ligt nog de vraag.

Señor Rodriques stierf rustig, zonder twijfels. Hij leefde gerechtvaardig, binnen de normen en waarden van de kale heuvels met de enige weg. Dat het enige beekje door zijn tuin liep was meegenomen. Dat de andere mensen daardoor ver buiten het dorp het water moesten halen is hem nooit opgevallen. Niemand heeft hem om water gevraagd of erover geklaagd. Niemand is ooit van de honger omgekomen, wel kleine kinderen door de gevolgen van slechte voeding, maar niemand heeft ooit gezegd dat verantwoordlijkheid daarvoor bij Señor Rodriguez lag.

Maria zit geduldig te wachten. De deur gaat open. Maria staat blij op.
De vrouw blijft in de deur. Ze kan het antwoord van Señor Rodriguez nog niet begrijpen.
`Hij heeft -ja- gezegd”
Maria straalt
`oh dank U,...dank U!”
Ze probeert de hand van de vrouw te grijpen. De vrouw trekt haar hand terug
`hij zal de helft nu betalen en de rest zoals het hoort. Dat is juist, vind U niet?`
Maria schrikt
`juist?..ja ja, dat is juist... maar de dokter? Hoe moet ik dat nu doen?`
Ze kijkt hulpeloos naar de vrouw
`Hij kan me toch niet half helpen, dat kan toch niet.
Ze laat haar hoofd hangen en mompelt
`Trouwens, dat geld,..het is net genoeg voor de bus.
De dorpsgek komt dichterbij, angstig kijkend naar de vrouw. Als hij de wanhoop in Maria’s gezicht leest gromt hij. De vrouw leest Maria de les.
`Señor Rodriguez is een rechtvaardig mens. Ik kan verder niets voor U doen.`
en dan wat vriendelijker:
`je kunt beter de kist nu halen. Straks komen de weeën en dan kan het niet meer. Dan moet je nog betalen om de kist op te laten halen.”

Aan de rand van het dorp staat een lemen hut met een rieten dak. Daar woont Maria. Haar enige meubels zijn het bed en een simpele houten stoel. De groene verf op de muren is oud, verschoten en op veel plaatsen gebladderd.
De grote, lege doodkist staat open op het bed. Het deksel leunt tegen de muur.
De kist is van binnen in tweeën verdeeld door een ruw houten plankje. Boven het bed hangt een grote foto van een man. De oude foto is verkleurd met grote gele vlekken. In grote onbeholpen letters staat er onder geschreven:
VAN OSWALDO VOOR MIJN VROUW”
Maria haalt het plankje uit de kist en veegt met een rode lap de kist van binnen schoon. Ze legt het deksel op de kist en slaat er een touw omheen.

De stilte op het lege plein wordt verbroken door gehijg, geknars en soppende voetstappen in de modder en het opgetogen geknor van de dorpsgek. Voorover hangend trekt Maria aan een touw dat vastzit aan een klein karretje waarop de doodskist ligt. Soms komt het karretje helemaal in de modder vast te zitten.. Maria duwt en trekt, probeert de kist op te tillen. Het is een marteling en niemand is er om haar te helpen. Opgewonden geeft de dorpsgek een duw tegen de kist.
De huishoudster van Señor Rodriguez staat door de spleet van de bijna gesloten voordeur en kijkt naar Maria die worstelt met haar doodkist. De huishoudster heeft bankbiljetten in de hand. Als Maria vlak bij het huis is komt de vrouw naar buiten.
`Hij is van binnen goed schoon` hijgt Maria is. `Als U mij toestemming geeft zal ik de buitenkant in de hal schoonmaken.”
De vrouw trekt de deur wijd open: “Natuurlijk”
Beide vrouwen tillen de kist op en proberen die door de deur te krijgen. Plotseling zakt Maria door haar knieën en grijpt naar haar buik.
`ai,..ai,.. het kind komt`
Radeloos kijkt Maria op naar de vrouw die aan de andere kant van de kist op haar neerkijkt. De vrouw steekt haar het geld toe.
`ga snel,..hier is je geld, ga snel!`
`Dat is te laat,ai..ai.. geeft het maar aan Crisanto. ,ai,..ai,..`
Als de pijn van de wee wat gezakt is rent ze naar huis. In de dorpsstraat. staan twee boeren bij een deur te praten. Onverschillig, tussen twee zinnen, merkt er een op:
`Kijk Maria gaat bevallen!` en gaat dan weer door met zijn verhaal.

Maria ligt op haar bed. Waterdruppels vallen op metaal. Duiven kirren op het dak.
Maria heeft geen lakens en haar enige deken ligt verfrommeld naast haar. De overtrek van de matras is in vrolijk bloemetjes motief. Het zweet staat op Maria’s voorhoofd. Opeens gilt ze het uit. Haar gezicht wordt een grimas van pijn. Ze trekt haar benen hoog op en grijpt haar enkels. Ze schudt haar hoofd wild heen en weer. Wild om de pijn en om kracht te zetten bij het persen. Over de bloemetjes van haar matras breidt een donkere vlek zich langzaam uit.
Buiten schreeuwt angstig de dorpsidioot. Hij staat voor de deur van het hutje van Maria. Met een zware stok in zijn handen zwaait hij dreigend tegen de hemel.

Señor Rodriguez ligt opgebaard in de kist van Maria. De deksel staat tegen de muur. De vrouw legt wat zilveren voorwerpen in de kist.
`zo dat is alles`
Chrisanto pakt de deksel en legt die op de kist. De vrouw blaast de kaarsen voor het heiligenbeeld uit en opent de gordijnen.
Voor het huis van Señor Rodriguez staan wat boeren. De kist wordt naar buiten gedragen.
Het is een kleine stoet die de kist volgt over het plein en langs de gevel van de kerk. De priester loopt voorop. Hij leest uit de bijbel. Een hoog kruis wordt meegedragen.
Flarden van de gesprekken:
... dat is dan het vijfde kind van Maria..
... de helft vooruit betalen,...ongehoord..
... een goed mens Señor Rodriguez ..
... een rechtvaardig mens Señor Rodriguez ..
... witte wurmen in de aardappelen...”
In het kerkhof loopt de begrafenisstoet naar het nieuwe graf. De aanwezigen gaan om de kuil staan. Het lichaam van Señor Rodriguez wordt uit de kist gehaald en in het graf gelegd. Vervolgens geeft de vrouw iedereen wat geld. De priester het eerst. Hij krijgt ook de zilveren voorwerpen uit de kist.
Chrisanto is de laatste.
`Hier is ook het geld van de kist. Wil je dat aan Maria geven? Daar vroeg ze om.`
Chrisanto gromt.

In de hoek van de kamer van Maria ligt een bundeltje in een bruine poncho gewikkeld. Het wordt verlicht door brandende kaarsen die erom heen staan. Erachter leunen plaatjes van heiligen tegen de muur.
Maria ligt op haar bed, het gezicht tegen de muur. Ze kreunt zachtjes.
De dorpsgek zit op de vloer tegen de deur. Hij huilt als een jankende hond.
De deur opent bruusk. De gek wordt opzij geschoven en kijkt angstig omhoog.
Groot en zwart staat Chrisanto in de deuropening, Hij heeft een witte kaars in zijn hand. De gek maakt plaats voor hem.Voor Chrisanto is hij niet bang.
`ik heb een kaars meegenomen voor,.. eh,..`
Hij loopt naar het bundeltje en zet zijn kaars tussen de andere.
`ik heb ook het geld van de kist bij me,..`
Maria fluistert
`nu er geld is,.. misschien kan je nu een klein kistje kopen,..`
`waarom?. je kunt .. eh .. toch in de grote kist doen .. zoals met de anderen gewoon met een plankje in het midden.`
`nu niet,.. nu er geld is. Het moet een wit kistje zijn, met gouden lijntjes`
`als je dat wil,.. `
Crisanto draait zich om en verdwijnt.

Crisanto en de Pater lopen langs de grafzerken. Chrisanto draagt een klein wit kistje versierd met gouden lijntjes op zijn schouder. De pater houdt zijn soutane met beide handen omhoog tegen de modder.
De pater vraagt:
`hoe lang is het ook weer geleden dat haar man stierf?`
`8 jaar`
`dit was jouw kind, is het niet?`
`ja Pater, maar het is beter zo. Hier is geen leven voor nieuwe mensen
De pater draait zich al lopend naar Chrissanto. Devoot zegt hij:
`weer een engeltje voor Onze Lieve Heer`.
In een hoek, vlak onder de lage lemen muur die om de begraafplaats ligt, is een kleine kuil gegraven. Chrisanto haalt het bundeltje uit het kistje. Hij legt het in de kuil en gooit dat vol met aarde. Terwijl hij de aarde met zijn laarzen vaststampt gromt Chrisanto:
`die Oswaldo, hij kon lezen en zelfs schrijven, en een doodskist om te verhuren.. slim hoor, zo heeft Maria altijd iets om van te leven.`
Hij pakt het kistje op:
`en nu heeft ze twee kisten om te verhuren`
Hij kijkt naar de pater:
`Ergens anders hebben mensen hun eigen kist. Die ze mee laten begraven bedoel ik. Waarom zou dat zijn? Daar is die kist toch niet voor ? Hij kan je toch nergens tegen beschermen, op de lange duur?
Hij tilt het kleine kistje op zijn schouder
`Bij ons is het beter vind ik`.
De pater heeft niet naar hem geluisterd, zijn zwarte gedaante verdwijnt door de poort.

Maria ligt nog op bed. Het raam staat open. Buiten schijnt de zon. Maria staart naar de foto van haar man, van Oswaldo en wat hij erop heeft geschreven:
VAN OSWALDO VOOR MIJN VROUW
Langzaam draait ze haar hoofd om. Nog steeds vallen druppels op metaal. De duiven kirren op het dak. Buiten voor het raam verschijnt de dorpsgek. Hij heeft een stokje in de hand. Hij krabt eraan, spuugt erop, gooit het dan driftig weg.
Hij loert naar binnen en grijnst. Maria kijkt naar boven. Aan de balken, tegen het dak hangt de grote kist van haar man aan een stevig touw. Onder de grote kist hangt een klein wit kistje met gouden lijntjes.
Buiten begint de gek te lachen. Hoge felle klanken die overgaan in sputteren om dan weer te veranderen in onverstaanbare kreten die soms in zijn keel blijven steken.
Hij is blij, ..

No hay comentarios:

Publicar un comentario